ECLI:NL:HR:2011:BQ1707
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in verdelingsvordering na beëindiging affectieve relatie
In deze zaak stond de vraag centraal of tussen partijen, na het beëindigen van hun affectieve relatie, een gemeenschap van goederen was ontstaan die verdeeld moest worden. De vrouw had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 oktober 2009, waarin haar vordering was afgewezen.
De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar de vonnissen van de rechtbank Amsterdam en het arrest van het gerechtshof. De vrouw stelde diverse klachten aan het cassatieberoep ten grondslag, maar deze konden geen cassatie leiden. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, hetgeen de Hoge Raad volgde. De kosten van het cassatiegeding werden gecompenseerd door iedere partij haar eigen kosten te laten dragen. Het arrest werd op 8 juli 2011 gewezen en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en iedere partij draagt haar eigen kosten.