ECLI:NL:HR:2011:BQ0505
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- C.E. Drion
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid enquêteverzoek na intrekking medeverzoekster
In deze zaak heeft verzoeker samen met Rhodia N.V. een enquêteverzoek ingediend bij de ondernemingskamer tegen een vennootschap. Verzoeker had een aandelenbelang van 0,55%, Rhodia 8,75%, samen voldeden zij aan de kapitaalseis van art. 2:346 BW Pro. Na het ontslag van verzoeker als bestuurder van Rhodia trok Rhodia haar verzoek in, met instemming van de andere partijen.
De ondernemingskamer verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk omdat hij alleen onvoldoende aandelen bezat om zelfstandig een enquêteverzoek in te dienen. De Hoge Raad stelde vast dat de intrekking van Rhodia’s verzoek niet het einde van de procedure betekende, maar dat Rhodia niet-ontvankelijk werd verklaard. Voor de ontvankelijkheid van verzoeker is niet beslissend dat hij en Rhodia samen bij indiening voldeden; op het moment van beslissing moet verzoeker zelf aan de kapitaalseis voldoen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van verzoeker en bevestigde dat de procedure voortduurt zonder de ingetrokken verzoekster. Tevens veroordeelde de Hoge Raad verzoeker in de proceskosten. De uitspraak benadrukt de ratio achter de kapitaalseis en bevestigt de rechtspositie van medeaanvragers na intrekking van een verzoek.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de niet-ontvankelijkheid van verzoeker na intrekking van medeverzoekster.