ECLI:NL:HR:2011:BQ0479
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- W.D.H. Asser
- C.E. Drion
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Bevestiging biologisch vaderschap en rechtmatigheid DNA-onderzoek bij familierechtelijke procedure
In deze zaak staat centraal of de man als verwekker van het kind kan worden aangemerkt in de zin van artikel 1:394 BW Pro en of het DNA-onderzoek dat hiervoor is uitgevoerd een inbreuk op zijn lichamelijke integriteit vormt die gerechtvaardigd is. De rechtbank en het gerechtshof te 's-Gravenhage hebben eerder beschikking gegeven waarbij het biologisch vaderschap werd vastgesteld.
De man heeft tegen de beschikking van het gerechtshof beroep in cassatie ingesteld. Hij voerde onder meer aan dat het DNA-onderzoek onrechtmatig was en dat hij niet als verwekker kon worden aangemerkt. De vrouw heeft verzocht het cassatieberoep te verwerpen. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelt dat het vermoeden van biologisch vaderschap op grond van artikel 1:394 BW Pro en artikel 81 RO Pro niet zonder meer kan worden weerlegd door de man. Het DNA-onderzoek is een gerechtvaardigde inbreuk op zijn lichamelijke integriteit in het kader van het familierechtelijk onderzoek. Tevens is het aan de man om mee te werken aan deskundigenonderzoek, waarbij weigering tot gevolgtrekkingen kan leiden.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en compenseert de kosten van het geding in cassatie zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt. De beslissing is genomen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 8 april 2011.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het biologisch vaderschap wordt bevestigd.