ECLI:NL:HR:2011:BQ0473
Hoge Raad
- Cassatie
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvoeging dochtermaatschappij in fiscale eenheid bij liquidatie voor vennootschapsbelasting
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, verzocht ontvoeging van dochter A BV per 1 januari 2005. A BV leed grote verliezen en was in het zicht van liquidatie. Na bezwaar tegen een aanslag vennootschapsbelasting 2004 werd het beroep ongegrond verklaard door rechtbank en hof, die oordeelden dat artikel 15aj lid 3 Wet Vpb 1969 van toepassing is.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat liquidatie een ruim begrip is dat alle uitvoering na ontbinding of insolventie omvat. Het hof mocht oordelen dat op het ontvoegingstijdstip de kans op een akkoord ter voorkoming van liquidatie zo laag was dat liquidatie onvermijdelijk was.
Verder bevestigt de Hoge Raad dat de schulden van de te ontvoegen dochter bij ontvoeging in het zicht van liquidatie moeten worden gewaardeerd op de bedrijfswaarde van de tegenoverliggende vordering, conform de wetsgeschiedenis. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd.