ECLI:NL:HR:2011:BP9442
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet-indienen middelen binnen termijn
De zaak betreft een beroep in cassatie van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdachte, zonder bekende woon- of verblijfplaats, heeft het cassatieberoep ingesteld maar heeft geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman laten indienen.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat het niet indienen van middelen binnen de termijn een schending is van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waardoor het beroep niet ontvankelijk is.
De Hoge Raad verklaart daarom het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk en bevestigt hiermee de formele vereisten voor cassatieprocedures. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken op 21 juni 2011.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens niet-indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.