ECLI:NL:HR:2011:BP9412
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot teruggave van inbeslaggenomen geldbedrag onder art. 552a Sv
In deze zaak diende een verzoeker een klaagschrift in op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering tot teruggave van een geldbedrag van €100.715,00 dat onder een derde in beslag was genomen. De verzoeker stelde dat hij rechthebbende was van het geld, onderbouwd met verklaringen over zakelijke transacties en familiebanden.
De Rechtbank oordeelde echter dat de verzoeker onvoldoende had aangetoond dat hij redelijkerwijs als rechthebbende kon worden beschouwd, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen en oncontroleerbare stellingen over het vervoer van het geld. De officier van justitie stelde dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzette.
De Hoge Raad bevestigde dat indien de verzoeker niet als rechthebbende kan worden aangemerkt, de rechter het verzoek om teruggave moet afwijzen zonder nader onderzoek naar het belang van strafvordering. Tevens wees de Hoge Raad erop dat de wet geen mogelijkheid biedt tot last tot teruggave aan een ander dan de verzoeker. Het beroep werd verworpen en het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek om teruggave van het in beslag genomen geldbedrag wordt afgewezen omdat de verzoeker niet als rechthebbende kan worden aangemerkt.