ECLI:NL:HR:2011:BP9321
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in milieuzaken
De zaak betreft een milieuovertreding waarbij verdachte zich tussen april 2006 en februari 2007 in Breukelen zou hebben gedragen in strijd met voorschriften verbonden aan een milieuvergunning. Hoewel de vergunning oorspronkelijk aan een andere partij was verleend, oordeelde het hof dat verdachte als drijver van de inrichting verantwoordelijk was voor de naleving van de voorschriften. Het hof sprak verdachte vrij van het onderdeel dat de vergunning aan hem was verleend, maar veroordeelde hem toch op basis van zijn feitelijke drijverschap.
In cassatie werd aangevoerd dat het hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten door tot een bewezenverklaring te komen na de partiële vrijspraak. De Hoge Raad oordeelde dat art. 18.18 Wm in verbinding met art. 8.20 Wm zich richt tot iedereen die de inrichting drijft, ongeacht aan wie de vergunning is verleend, en verwierp dit middel.
Daarnaast werd geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond en verminderde de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis dienovereenkomstig.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor zover het de strafoplegging betrof, stelde de geldboete vast op € 3.950,- en de vervangende hechtenis op 49 dagen waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De geldboete is verminderd tot € 3.950,- en de vervangende hechtenis tot 49 dagen, waarvan een deel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.