ECLI:NL:HR:2011:BP6607
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vrijstelling grondwaterbelasting voor betonmortelcentrale als één inrichting
Belanghebbende exploiteert een betonmortelcentrale waarbij grondwater wordt onttrokken met een centrifugaalpomp. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag grondwaterbelasting op over de jaren 2000-2004, omdat belanghebbende geen belasting had voldaan. De Rechtbank en het Hof verklaarden het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigden de aanslag, waarbij het Hof oordeelde dat de pomp en betonmortelmenger als één inrichting gelden.
De kern van het geschil betrof de vraag of de betonmortelcentrale inclusief pomp of slechts de pomp als inrichting moest worden aangemerkt voor toepassing van de vrijstelling voor kleine onttrekkers (max. 10 m³ per uur). Het Hof stelde vast dat de pomp functioneel en fysiek onlosmakelijk verbonden is met de betonmortelmenger en leidingen, en dat het geheel als één inrichting moet worden beschouwd.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep van de Minister ongegrond. De Hoge Raad benadrukt dat het maximale wateropbrengend vermogen moet worden beoordeeld inclusief alle duurzaam verbonden onderdelen die het onttrekken beïnvloeden. De uitspraak betekent dat de vrijstelling van grondwaterbelasting van toepassing is op de betonmortelcentrale als geheel, aangezien de onttrekking niet meer dan 8,5 m³ per uur bedraagt.
De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Minister van Financiën wordt ongegrond verklaard en de vrijstelling grondwaterbelasting voor de betonmortelcentrale als één inrichting bevestigd.