ECLI:NL:HR:2011:BP6593

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02214
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet OBArt. 13 Besch. OBArt. 3 lid 1 letter h Wet OB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over herziening omzetbelasting bij gedeeltelijke verhuur met vrijstelling

Belanghebbende, een ondernemer, liet een kantoorpand met vier etages bouwen waarvan de eerste drie etages vanaf 1 november 2001 met vrijstelling van omzetbelasting werden verhuurd. De vierde etage werd vanaf 1 juli 2002 gedeeltelijk verhuurd met vrijstelling, terwijl het resterende deel leeg bleef staan.

Na naheffing van omzetbelasting over het derde kwartaal 2002 stelde belanghebbende bezwaar en startte beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de naheffing vernietigde. Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris stelden cassatieberoep in. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het Hof te 's-Gravenhage. Dit Hof verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de naheffingsaanslag en beperkte de naheffing.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte de herziening van de omzetbelasting op grond van artikel 15 lid 4 Wet Pro OB toepaste en dat de herziening moet plaatsvinden volgens artikel 13 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Het Hof had de vierde etage niet als afzonderlijk goed moeten beschouwen. Het incidentele beroep van de Staatssecretaris behoeft daarom geen behandeling. De naheffingsaanslag wordt vernietigd en de Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bepaalt dat de herziening omzetbelasting moet plaatsvinden op grond van artikel 13 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.

Uitspraak

nr. 09/02214
7 oktober 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van Vereniging X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 mei 2009, nr. BK-08/00360, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 juli 2002 tot en met 30 september 2002 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij uitspraak is gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Dit Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur, alsmede de naheffingsaanslag vernietigd.
2. Het eerste geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris van Financiën heeft (incidenteel) beroep in cassatie ingesteld tegen de hiervoor in 1 vermelde uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam.
De Hoge Raad heeft bij zijn arrest van 12 september 2008, nr. 43011, LJN BB5776, BNB 2009/188, die uitspraak vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, en de naheffingsaanslag verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend en het incidentele beroep beantwoord.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 14 februari 2011 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het principale beroep en het incidentele beroep in cassatie, tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
4. Uitgangspunten in cassatie
4.1. Belanghebbende is ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 2001 en 2002; hierna: de Wet). Zij heeft op haar toebehorende grond een kantoorpand laten bouwen (hierna: het pand) met vier etages kantoorruimte, een parkeerkelder, alsmede faciliteiten op de begane grond, waaronder een restaurant. Het pand is aan belanghebbende opgeleverd in 2001. De eerste, tweede en derde etage zijn per 1 november 2001 met vrijstelling van omzetbelasting verhuurd. De (onder)huurders van de onderscheiden kantoorruimten maken gemeenschappelijk gebruik van de faciliteiten op de begane grond en van de parkeerkelder. De vierde etage is per 1 juli 2002 voor een gedeelte verhuurd, eveneens met vrijstelling van omzetbelasting. Het resterende deel van de vierde etage is blijven leegstaan tot na 2004.
4.2. De Hoge Raad heeft bij zijn hiervoor in 2 vermelde arrest geoordeeld dat belanghebbende in 2001 recht had op aftrek van de aan de - toen nog niet verhuurde - vierde etage toe te rekenen omzetbelasting die op de voet van artikel 3, lid 1, letter h, van de Wet was verschuldigd. Het geding is verwezen naar het Hof voor een beoordeling van eventuele herziening van deze aftrek van omzetbelasting ten gevolge van de omstandigheid dat een deel van de vierde etage met ingang van 1 juli 2002 vrijgesteld van omzetbelasting werd verhuurd.
5. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
5.1. Het middel betoogt in de eerste plaats dat het Hof in strijd met de hiervoor in 4.2 omschreven verwijzingsopdracht heeft geoordeeld dat de met betrekking tot de vierde etage in aftrek gebrachte omzetbelasting op 1 juli 2002 ingevolge artikel 15, lid 4, van de Wet verschuldigd is geworden en in de tweede plaats dat het Hof ten onrechte de vierde etage met het oog op een eventuele herziening als afzonderlijk goed in aanmerking heeft genomen.
5.2. Het middel slaagt. De Hoge Raad heeft aan zijn oordelen in het hiervoor in 2 vermelde arrest ten grondslag gelegd dat belanghebbende op 1 november 2001 over het pand als geheel heeft beschikt voor bedrijfsdoeleinden. Dit brengt mee, dat - anders dan kan worden afgeleid uit dat arrest - op de omzetbelasting die voor de vierde etage in 2001 - terecht - in aftrek is gebracht bij de ingebruikname van die etage op 1 juli 2002 niet artikel 15, lid 4, tweede en derde volzin, van de Wet van toepassing is, maar de herzieningsregeling van artikel 13 (en in voorkomend geval artikel 13a) van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.
6. Het incidentele beroep
Het incidentele beroep is kennelijk alleen ingesteld voor het geval de Hoge Raad op het principale beroep zou beslissen dat de onderwerpelijke omzetbelasting ingevolge artikel 15, lid 4, van de Wet moet worden herzien. Aangezien de Hoge Raad anders beslist, behoeft het incidentele beroep geen behandeling.
7. Slotsom
Uit hetgeen hiervoor in 5.2 is overwogen, volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen, aangezien het Hof - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld dat, zo de vraag of de aftrek ingevolge artikel 15, lid 4, van de Wet moet worden gecorrigeerd, ontkennend wordt beantwoord, de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.
8. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
9. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de griffierechten en de proceskosten,
vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, alsmede de naheffingsaanslag,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 447, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2173,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis, E.N. Punt, J.A.C.A. Overgaauw en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2011.