ECLI:NL:HR:2011:BP3962
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren. De verdachte stelde dat de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep was overschreden, aangezien het hof ruim negentien maanden na het instellen van het hoger beroep uitspraak deed, terwijl de redelijke termijn volgens art. 6 EVRM Pro zestien maanden bedraagt.
Het hof had geoordeeld dat er geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, maar de Hoge Raad vond dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk omdat het hof geen bijzondere omstandigheden had vastgesteld die een langere termijn rechtvaardigen. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden en besloot om de zaak zelf af te doen om doelmatigheidsredenen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze van vijf jaar naar vier jaar en negen maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd erkend dat de overschrijding van de redelijke termijn een strafvermindering rechtvaardigde, maar bleef de veroordeling in stand.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van vijf jaar naar vier jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.