ECLI:NL:HR:2011:BP2998
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid en meldingsplicht betalingsonmacht bij naheffingsaanslagen
Belanghebbende werd aansprakelijk gesteld voor loonbelasting en premie volksverzekeringen die door zijn vennootschap niet waren afgedragen over 2004 en een periode in 2006. De rechtbank en het hof bevestigden deze aansprakelijkstelling, waarbij het hof oordeelde dat belanghebbende ook aansprakelijk was ondanks dat hij geen bestuurder meer was op het moment van naheffing.
In cassatie stelde belanghebbende dat hij geen melding van betalingsonmacht kon doen omdat hij geen bestuurder meer was toen de naheffingsaanslagen werden opgelegd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had onderzocht of de betalingsonmacht niet te wijten was aan opzet of grove schuld van de vennootschap, terwijl dit relevant is voor de meldingsplicht en de mogelijkheid tot weerlegging van het wettelijke vermoeden.
Verder verduidelijkte de Hoge Raad dat betalingsonmacht niet alleen bij blijvende onvermogen tot betalen bestaat, maar ook bij tijdelijke betalingsmoeilijkheden. Het enkel beschikken over liquide middelen betekent niet automatisch dat er geen betalingsonmacht is, zeker als deze middelen niet worden ingezet voor belastingbetaling.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een volledige herbeoordeling met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werden proceskosten toegewezen aan belanghebbende.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor hernieuwde behandeling.