ECLI:NL:HR:2011:BP2412
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van raadsman tot instemming bij afwezigheid verdachte in hoger beroep
In deze strafzaak stond centraal de vraag of een raadsman die niet uitdrukkelijk door de afwezige verdachte is gemachtigd, bevoegd is om instemming te geven met de voortzetting van het onderzoek na schorsing. De zaak betrof een hoger beroep waarin de verdachte niet aanwezig was bij twee zittingen, terwijl zijn raadsman verklaarde niet uitdrukkelijk gemachtigd te zijn tot verdediging.
De Hoge Raad bekeek de toepasselijke wetsartikelen, met name art. 322, derde lid, en art. 331 Sv Pro, en de wetsgeschiedenis van de wijziging van art. 331 Sv Pro in samenhang met art. 279 Sv Pro. Hieruit volgt dat het geven van instemming door een raadsman een bevoegdheid is die alleen toekomt aan een raadsman die op grond van art. 279 Sv Pro tot verdediging van de afwezige verdachte is toegelaten.
De Hoge Raad verwierp het middel dat een ruimere uitleg van 'de op de terechtzitting aanwezige raadsman' bepleitte en bevestigde dat een raadsman zonder uitdrukkelijke machtiging daartoe niet bevoegd is. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat alleen een uitdrukkelijk gemachtigde raadsman bevoegd is tot instemming namens een afwezige verdachte.