ECLI:NL:HR:2011:BP2274

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00798
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet LB 1964Art. 34 Wfsv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat op werknemer verhaalde WGA-premie als negatief loon geldt

Belanghebbende was in dienstbetrekking en er werd over januari 2007 loonheffing ingehouden. De werkgever had op het netto-loon een bedrag van € 6,57 verhaald als WGA-premie, zijnde de helft van de door de werkgever verschuldigde premie voor de Werkhervattingskas.

De Inspecteur verklaarde het bezwaar tegen inhouding loonheffing ongegrond. De Rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de Inspecteur's uitspraak, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde dat de op belanghebbende verhaalde WGA-premie als negatief loon moet worden aangemerkt, waardoor het loon waarover loonheffing is ingehouden verminderd dient te worden met het bedrag van de verhaalde premie. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op teruggaaf van € 3,42 aan te veel ingehouden loonheffing.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep gegrond, vernietigde het arrest van het Hof, bevestigde het vonnis van de Rechtbank en veroordeelde de Staat tot vergoeding van griffierechten en proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de op werknemer verhaalde WGA-premie als negatief loon geldt, waardoor de ingehouden loonheffing moet worden verminderd en teruggegeven.

Uitspraak

Nr. 10/00798
8 april 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 januari 2010, nr. 08/00643, betreffende een ingehouden bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Van belanghebbende is over januari 2007 een bedrag aan loonbelasting en premie volksverzekeringen (hierna tezamen: loonheffing) ingehouden. Het door belanghebbende tegen de inhouding gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur ongegrond verklaard.
De Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 07/3458) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de ingehouden loonheffing verminderd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Minister van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door mr. M.J. Pelinck, advocaat te Amsterdam.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 23 december 2010 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende is in dienstbetrekking werkzaam. Op zijn loon over de maand januari 2007 is loonheffing ingehouden.
3.1.2. De werkgever heeft op de voet van artikel 34, lid 2, van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) op het resterende netto-loon een bedrag van € 6,57 verhaald, te weten de helft van de door de werkgever verschuldigde en afgedragen gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas ter uitvoering van de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (hierna: WGA-premie).
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de op belanghebbende verhaalde WGA-premie niet in mindering komt op het loon waarover loonheffing is verschuldigd. Daartegen richten zich de middelen.
3.3.1. Ingevolge artikel 34, lid 1, Wfsv zijn premies in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waaronder de WGA-premie, verschuldigd door werkgevers. Ingevolge artikel 34, lid 2, Wfsv kan de werkgever ten hoogste de helft van de door hem verschuldigde WGA-premie verhalen op de werknemer. De werkgever van belanghebbende heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
3.3.2. Indien een werkgever van deze bevoegdheid tot verhaal gebruik maakt, is het gevolg daarvan dat de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking een deel van zijn loon aan de werkgever afdraagt als bijdrage in de WGA-premie die door zijn werkgever verschuldigd is. Die afdracht dient te worden aangemerkt als negatief loon (vgl. HR 5 februari 2010, nr. 07/13543, LJN BH9189, BNB 2010/164).
3.3.3. Het vorenoverwogene betekent dat het loon van belanghebbende waarover loonheffing is ingehouden, dient te worden verminderd met het bedrag van de op hem verhaalde WGA-premie. Voor dat geval is buiten geschil dat op het loon van belanghebbende € 3,42 minder loonheffing had moeten worden ingehouden, welk bedrag door de Inspecteur aan belanghebbende moet worden teruggegeven.
3.3.4. Het eerste middel slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De overige middelen behoeven geen behandeling.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat zowel in cassatie als in hoger beroep de zaak met nummer 10/00797 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 110,
gelast dat de Staat aan het Hof betaalt het griffierecht ter zake van de behandeling van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ten bedrage van € 433,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1966,50, derhalve € 983,25, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 644, derhalve € 322, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, J.W.M. Tijnagel, A.H.T. Heisterkamp en M.W.C. Feteris, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2011.