ECLI:NL:HR:2011:BP1765
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A. Hammerstein
- W.A.M. van Schendel
- C.A. Streefkerk
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter bij tenuitvoerlegging buitenlandse uitspraak inzake verdeling gezamenlijke onroerende zaken
In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd was tot tenuitvoerlegging van een Duitse uitspraak die medewerking aan de verdeling van gezamenlijk eigendom van onroerende zaken beoogde. Verzoekers stelden dat de Duitse rechter onterecht bevoegd was verklaard op grond van art. 22 EEX Pro-Verordening, dat exclusieve bevoegdheid toekent aan de rechter van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen.
De rechtbank had het verzoek tot toetsing van de Duitse bevoegdheid afgewezen omdat verzoekers in Duitsland geen rechtsmiddelen tegen die beslissing hadden ingesteld. De Hoge Raad oordeelde echter dat de Nederlandse rechter ambtshalve en zelfstandig moet beoordelen of de Duitse rechter de bevoegdheidsregels van art. 22 EEX Pro-Verordening heeft geschonden, ook als de gedaagde in rechte verschijnt en het bevoegdheidsverweer niet langer betwist.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat de vordering tot medewerking aan de verdeling van gezamenlijke onroerende zaken geen betrekking heeft op een zakelijk recht in de zin van art. 22, onder 1, EEX-Verordening, maar op een persoonlijk recht dat niet tegenover derden kan worden ingeroepen. Ook als de gemeenschap als vennootschap of rechtspersoon zou worden aangemerkt, is art. 22, onder 2, niet van toepassing omdat het geschil de wijze van verdeling betreft en niet de geldigheid, nietigheid of ontbinding van die vennootschap.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de Nederlandse rechter de Duitse uitspraak tot tenuitvoerlegging mag laten komen. Verzoekers werden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het beroep van verzoekers wordt verworpen en de Nederlandse rechter mag de Duitse uitspraak tot tenuitvoerlegging laten komen.