ECLI:NL:HR:2011:BP0761
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vermindering betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na overschrijding redelijke termijn
In deze cassatieprocedure werd het beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdachte werd betrokken bij een criminele organisatie en ontving betalingen die niet konden worden verklaard uit rechtmatige bronnen.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €33.735,78, gebaseerd op kasstortingen en een financieel rapport. De verdediging stelde dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 oktober 2005 niet rechtsgeldig was ondertekend, waardoor het verzuim niet kon worden hersteld.
De Hoge Raad oordeelde dat ondanks het procesverbaalverzuim de verdediging geen rechtens te respecteren belang had bij vernietiging. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, wat leidde tot vermindering van het te betalen bedrag tot €30.362.
De overige middelen werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot cassatie. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 27 september 2011.
Uitkomst: Het te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is verminderd tot €30.362.