ECLI:NL:HR:2011:BP0760
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en behandelt bewijsverzoeken in strafzaak
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad op 22 maart 2011 uitspraak gedaan over een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar. De verdediging verzocht onder meer om het horen van informanten en runners van de CIE, alsmede van de tactisch teamleider en CIE-chef, verzoeken die door het hof grotendeels werden afgewezen.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep handhaafde de raadsman het verzoek tot het horen van de tactisch teamleider en de CIE-chef, maar niet meer dat tot het horen van een andere getuige. Het hof oordeelde dat het verzoek tot het horen van informanten en runners niet werd gehandhaafd en beschouwde het verzoek tijdens pleidooi als achterhaald. Het hof wees het verzoek tot het horen van de tactisch teamleider en CIE-chef af omdat de CIE-informatie slechts startinformatie was en er geen aanwijzingen waren voor onrechtmatigheid bij het onderzoek.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze tot twee jaar en tien maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro. De overige klachten, waaronder het vermeende verzuim van het hof om te beslissen over het verzoek tot het horen van informanten en runners, werden verworpen. De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek niet gehandhaafd was en dat het procesverloop dit niet onbegrijpelijk maakte.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot twee jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige klachten worden verworpen.