ECLI:NL:HR:2011:BO5804
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- C.E. Drion
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijskracht partij-getuige bij verlies partijhoedanigheid in hoger beroep
In deze zaak stond centraal de vraag of een getuige die op het moment van het verhoor partij was in de procedure, maar in hoger beroep deze hoedanigheid verloor, nog steeds als partij-getuige moet worden aangemerkt en welke bewijskracht zijn verklaring dan toekomt.
De feiten betreffen een geschil over de uitleg van een koopovereenkomst tussen eiser en Stichting UW over een pand in Utrecht. Eiser stelde dat Stichting UW een garantie had gegeven over de mogelijkheid tot splitsing van het pand, wat niet bleek te kloppen. In de bodemprocedure werden diverse getuigen gehoord, waaronder een directeur van een betrokken vennootschap die partij was tijdens het verhoor. De rechtbank wees de vordering af wegens onvoldoende bewijs. Door een beroepsfout van de advocaat werd hoger beroep niet tijdig ingesteld.
Het hof vernietigde het vonnis en oordeelde dat de getuige als partij-getuige moest worden aangemerkt op het moment van het verhoor. Het hof overwoog dat een herhaling van de eerdere verklaring zonder nieuwe inhoud door de appelrechter kan worden gepasseerd. De Hoge Raad bevestigde dit en verduidelijkte dat het peilmoment voor de beoordeling van de bewijskracht het moment van het verhoor is. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het bewijsaanbod in hoger beroep onvoldoende was om de getuige opnieuw te horen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling naar het hof te 's-Gravenhage. Het incidentele beroep werd verworpen. De kosten werden aan de zijde van eiser en eiseres aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: Het arrest van het hof werd vernietigd en de zaak verwezen naar het hof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling.