ECLI:NL:HR:2011:BO4060
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest hof wegens onjuiste afwijzing aanhoudingsverzoek wegens ziekte verdachte
De verdachte was wegens een kaakoperatie en de daaruit voortvloeiende klachten, zoals pijn en spraakmoeilijkheden, verhinderd om op de terechtzitting te verschijnen. Zijn raadsman verzocht namens hem om aanhouding van de behandeling van de zaak. Het hof wees dit verzoek af met de motivering dat de verdachte naar de zitting had kunnen komen en dat ter zitting beoordeeld moest worden of hij zich voldoende kon verweren.
De Hoge Raad stelt voorop dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte, zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro, vereist dat de rechter aan een aanhoudingsverzoek wegens ziekte voldoet om de verdachte de kans te geven bij de behandeling aanwezig te zijn. Tegelijk kan het belang van een behoorlijke strafvordering, waaronder een redelijke termijn, zwaarder wegen. De rechter moet daarom zorgvuldig afwegen of het verzoek aannemelijk en van voldoende gewicht is, en of het belang van de strafvordering prevaleert.
In deze zaak heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van een behoorlijke strafvordering zwaarder zou wegen dan het belang van de verdachte. De Hoge Raad oordeelt dat de motieven van het hof de afwijzing niet kunnen dragen en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en verwijst zaak terug voor nieuwe berechting vanwege onjuiste afwijzing aanhoudingsverzoek wegens ziekte.