ECLI:NL:HR:2011:BO3961
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vernietiging hofuitspraak wegens onvoldoende onderbouwing schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had het voordeel geschat op €17.488,00, gebaseerd op diverse bewijsmiddelen waaronder verklaringen, tapgesprekken en aangiftes. De veroordeelde was betrokken bij meerdere zaken met vals geld, waarbij hij samenwerkte met mededaders.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet met voldoende nauwkeurigheid heeft aangegeven welke wettige bewijsmiddelen ten grondslag liggen aan de schatting van het voordeel. De vaststellingen waarop de schatting is gebaseerd, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal, zijn onvoldoende gemotiveerd.
Daarom voldoet de bestreden uitspraak niet aan de eis van een deugdelijke motivering. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep. Het tweede middel van cassatie wordt verworpen omdat het geen belang heeft voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.