ECLI:NL:HR:2011:BO1633
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot bijstand en vertegenwoordiging in raadkamerprocedures volgens art. 23 Sv
In deze zaak stond centraal de vraag of en op welke wijze een procesdeelnemer zich bij de behandeling door de raadkamer kan laten bijstaan of vertegenwoordigen. De Hoge Raad oordeelde dat het uitgangspunt is dat een procesdeelnemer die niet verschijnt, zich kan laten vertegenwoordigen door een raadsman of advocaat mits deze uitdrukkelijk daartoe is gemachtigd. Dit uitgangspunt geldt onverminderd de bevoegdheid van de raadkamer om te bepalen dat de procesdeelnemer in persoon moet verschijnen indien dit wenselijk wordt geacht.
Er zijn uitzonderingen mogelijk, met name in raadkamerprocedures waarin de wet anders bepaalt of waarin de aard van de procedure zich verzet tegen vertegenwoordiging door een raadsman of advocaat. Zo bepaalt art. 12f Sv dat in bepaalde gevallen ook een bijzonderlijk gevolmachtigde derde mag optreden, maar art. 23 Sv Pro spreekt uitsluitend over bijstand door een raadsman of advocaat.
De Hoge Raad verwierp klachten dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat een zoon/broer van klagers niet mocht spreken en dat niet-verschenen klaagsters zich niet door een raadsman mochten laten vertegenwoordigen. Uit het proces-verbaal bleek dat de raadsman mr. Van Oppen wel degelijk de niet-verschenen klaagsters vertegenwoordigde. Het beroep werd verworpen en de uitspraak bevestigt het belang van een goede procesorde en de wettelijke kaders bij raadkamerprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt dat procesdeelnemers zich bij raadkamerprocedures kunnen laten vertegenwoordigen door een raadsman of advocaat mits uitdrukkelijk gemachtigd.