ECLI:NL:HR:2011:BN7088
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie over vrijlatingsmogelijkheden Duitse strafuitvoering
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam over de overname van de tenuitvoerlegging van een Duitse straf. De veroordeelde stelde dat volgens het Duitse Wetboek van Strafrecht vrijlating na het uitzitten van de helft van de straf mogelijk is, en overhandigde ter zitting een document ter onderbouwing hiervan.
De Rechtbank oordeelde echter dat concrete informatie van de Duitse autoriteiten aangaf dat vrijlating voor de veroordeelde pas mogelijk was na het uitzitten van twee derde van de straf. Het overgelegde document vermeldde onder het kopje "2/3" een datum van vrijlating, maar onder "1/2" was niets ingevuld, wat de rechtbank aanleiding gaf het betoog van de veroordeelde te verwerpen.
In cassatie klaagde de veroordeelde dat het door zijn raadsman overgelegde document niet bij de stukken van het geding aanwezig was. De Hoge Raad stelde vast dat het document niet meer kon worden aangeleverd, maar dat de veroordeelde geen rechtens te respecteren belang had bij deze klacht omdat niet werd geklaagd over de juistheid van de inhoudsweergave in de bestreden uitspraak.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat vrijlating na twee derde van de straf het meest gunstige scenario was. Tevens werd het procesrechtelijk aspect van het ontbreken van het document besproken, waarbij werd vastgesteld dat een tijdig verzoek om aanvulling van processtukken niet was ingediend volgens het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad 2008.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; vrijlating in Duitsland mogelijk na twee derde van de straf.