ECLI:NL:HR:2011:BN0900

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43484bis
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet Vpb 1969Art. 43 EGArt. 48 EGArt. 49 VWEUArt. 54 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering grensoverschrijdende fiscale eenheid niet in strijd met vrijheid van vestiging

Deze zaak betreft het geschil over de weigering van de Inspecteur om toe te stemmen in het vormen van een fiscale eenheid tussen X Holding B.V. en haar dochtermaatschappij F N.V., omdat laatstgenoemde niet in Nederland is gevestigd. F N.V. is gevestigd in België, heeft geen vaste inrichting in Nederland en is niet onderworpen aan de Nederlandse vennootschapsbelasting.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 februari 2010, waarin is geoordeeld dat de artikelen 43 en 48 EG (nu 49 en 54 VWEU) zich niet verzetten tegen een nationale regeling die het vormen van een fiscale eenheid met een niet-ingezeten dochteronderneming weigert.

Op basis van dit oordeel concludeert de Hoge Raad dat de weigering van de Inspecteur niet in strijd is met het EG-Verdrag en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Er worden geen proceskosten toegewezen. Het arrest is gewezen door vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2011.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de weigering van de grensoverschrijdende fiscale eenheid wordt bevestigd.

Uitspraak

Nr. 43.484 bis
7 januari 2011
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X Holding B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank te Arnhem van 7 juli 2006, nr. 05/4260, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij na te melden arrest aan het Hof van Justitie gestelde vraag.
1. Ontstaan en loop van het geding
Voor een overzicht van het ontstaan en de loop van het geding tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 11 juli 2008, nr. 43484, LJN BB3444, BNB 2008/305, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vraag.
Bij arrest van 25 februari 2010, X Holding B.V., C-337/08, LJN BL6388, BNB 2010/166, heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vraag, voor recht verklaard:
"De artikelen 43 EG en 48 EG verzetten zich niet tegen de wettelijke regeling van een lidstaat die een moedervennootschap de mogelijkheid biedt om met haar ingezeten dochteronderneming een fiscale eenheid te vormen, doch niet toestaat dat een dergelijke fiscale eenheid wordt gevormd met een niet-ingezeten dochteronderneming omdat laatstgenoemde vennootschap voor de belasting van haar winst niet is onderworpen aan de belastingwet van deze lidstaat."
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op dit arrest. Zowel belanghebbende als de Minister van Financiën heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 7 juli 2010 nader geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft zich schriftelijk over de nadere conclusie uitgelaten.
2. Nadere beoordeling van de middelen
2.1. Het geschil in deze zaak betreft de vraag of de weigering van de Inspecteur in te stemmen met het opnemen van belanghebbendes dochtermaatschappij F N.V. in een fiscale eenheid met belanghebbende op de grond dat F N.V. niet in Nederland is gevestigd, een met de artikelen 43 en 48 EG (thans de artikelen 49 en 54 VWEU) strijdige beperking van de vrijheid van vestiging oplevert.
2.2. Niet in geschil is dat F N.V. feitelijk in België is gevestigd, geen vaste inrichting in Nederland heeft en ook overigens niet in Nederland is onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Uit het hiervoor onder 1 weergegeven antwoord van het Hof van Justitie volgt dat de op die omstandigheden gestoelde beslissing van de Inspecteur om het verzoek om vorming van een fiscale eenheid tussen belanghebbende en F N.V. af te wijzen, niet in strijd is met het EG-Verdrag. De middelen, die uitgaan van een andere opvatting, kunnen mitsdien niet tot cassatie leiden.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P. Lourens als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, A.R. Leemreis, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2011.