ECLI:NL:HR:2010:BO4137

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/02083 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 SvArt. 14g Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek inzake voorwaardelijke gevangenisstraf mishandeling

De aanvrage tot herziening betrof een beslissing van de politierechter in Almelo van 8 augustus 2005, waarbij de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden wegens mishandeling was gelast. De Hoge Raad beoordeelde of het verzoek ontvankelijk was op grond van artikel 457 Sv Pro, dat herziening mogelijk maakt bij nieuwe feiten die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot een andere uitkomst zou hebben geleid.

De Hoge Raad stelde vast dat de beslissing van 8 augustus 2005 geen einduitspraak was in de zin van artikel 457 Sv Pro en dat het verzoek daarom niet-ontvankelijk was voor zover het tegen die beslissing was gericht. Voor zover het verzoek mede betrekking had op het vonnis van 19 april 2004, was het ingediende verzoek niet onderbouwd met nieuwe feiten die herziening konden rechtvaardigen.

Daarom werd het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken op 16 november 2010.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten die herziening rechtvaardigen.

Uitspraak

16 november 2010
Strafkamer
Nr. 10/02083 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een beslissing van de Politierechter in de Rechtbank te Almelo van 8 augustus 2005, nummer 08/006334-02, ingediend door:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].
1. De beslissing waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Almelo van 19 april 2004 ter zake van "mishandeling" opgelegde gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met een in dat vonnis nader omschreven bijzondere voorwaarde.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. De beslissing van de Politierechter van 8 augustus 2005 betreft een beslissing op de vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in art. 14g Sr en is daarom niet een einduitspraak houdende veroordeling in de zin van art. 457, eerste lid, Sv. De aanvrage kan derhalve voor zover tegen deze beslissing gericht, niet worden ontvangen.
3.2. Voor zover de aanvrage geacht moet worden mede gericht te zijn tegen voormeld vonnis van de Politierechter van 19 april 2004 geldt het volgende.
3.3. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder
2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.4. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.3 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, ook in zoverre niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 16 november 2010.