ECLI:NL:HR:2010:BO1819

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01631
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring en verkrijgende verjaring van aandelen met overgangsrecht volgens artikel 3:99 BW

In deze zaak stond de verkrijgende verjaring van aandelen centraal, waarbij tevens de vraag speelde of en hoe het overgangsrecht van artikel 3:99 BW Pro van toepassing is. De feiten betreffen een geschil tussen eiser en verweerster over de eigendom van aandelen, waarbij eerdere vonnissen van de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam aan de orde waren.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof, dat eerder de vorderingen had afgewezen. Verweerster concludeerde tot niet-ontvankelijkheid dan wel verwerping van het beroep. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Deze uitspraak bevestigt de toepassing van het overgangsrecht in artikel 3:99 BW Pro bij verkrijgende verjaring van aandelen en benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het aannemen van cassatiemiddelen die geen wezenlijke rechtsontwikkeling beogen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

10 december 2010
Eerste Kamer
09/01631
DV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. K.G.W. van Oven.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 288012/H 04.1315 van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2004 en 16 maart 2005;
b. het arrest in de zaak 106.003.137/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 18 november 2008.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid dan wel verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster] mede door mr. P.M. Smid, advocaat te Utrecht.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 384,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, W.D.H. Asser en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 december 2010.