ECLI:NL:HR:2010:BO1801
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- W.A.M. van Schendel
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- C.E. Drion
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Benoeming halfbroer als bewindvoerder en mentor volgens familierecht
In deze zaak stond de vraag centraal of een halfbroer gelijkgesteld kan worden aan een broer in de zin van de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek die de voorkeur regelen bij de benoeming van een bewindvoerder en mentor. De vader van de betrokkene, verzoeker tot cassatie, stelde dat een halfbroer niet als broer mag worden aangemerkt volgens art. 1:435 lid 4 en Pro art. 1:452 lid 4 BW Pro.
De rechtbank en het hof hadden reeds beslist dat de halfbroer benoemd kon worden tot bewindvoerder en mentor. Het hof overwoog dat bij het ontbreken van een uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende en het ontbreken van echtgenoten, geregistreerde partners of levensgezellen, de wettelijke voorkeur geldt voor ouders, kinderen, broers of zusters, waarbij ook halfbroers worden begrepen.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de wetsbepalingen broers en zusters omvatten die in de zijlijn in de tweede graad bloedverwanten zijn, waaronder halfbroers en -zusters. Andere wetsartikelen zoals art. 4:11 lid 2 BW Pro of art. 15 Wet Pro op belastingen van rechtsverkeer doen hieraan niet af. Het beroep tot cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat een halfbroer gelijkgesteld wordt aan een broer in de zin van art. 1:435 lid 4 en art. 1:452 lid 4 BW.