ECLI:NL:HR:2010:BO0102

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/03231 W
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 WOTS
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep tegen omzetting Duitse gevangenisstraf in Nederland

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Groningen over de omzetting van een in Duitsland opgelegde gevangenisstraf in een Nederlandse straf. De veroordeelde was in Duitsland veroordeeld voor meerdere diefstallen, en de Duitse straf werd omgezet in een Nederlandse gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden, met aftrek van de tijd die reeds in detentie was doorgebracht.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, waaronder de zwaardere detentieomstandigheden in Duitsland, en de internationale gevoeligheden bij de straftoemeting. De advocaat van de veroordeelde had aangevoerd dat de detentie in Duitsland zwaar was geweest en dat dit gevolgen had voor zijn persoonlijke situatie.

In cassatie klaagde de veroordeelde dat de rechtbank geen onderzoek had gedaan naar de mogelijkheid dat hij in Duitsland na het uitzitten van de helft van zijn straf vervroegd in vrijheid zou worden gesteld. De Hoge Raad oordeelde dat het proces-verbaal van de terechtzitting niet bevatte dat de veroordeelde of zijn raadsman dit beroep hadden gedaan, zodat de rechtbank niet verplicht was dit nader te onderzoeken.

De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken op 9 november 2010.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de omzetting van de Duitse gevangenisstraf in een Nederlandse straf.

Uitspraak

9 november 2010
Strafkamer
nr. 10/03231 W
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Groningen van 26 mei 2010, nummer 18/810011-10, omtrent een verzoek van de Minister van Justitie van de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen tot overname van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing tegen:
[Veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Arnhem, locatie Arnhem-Zuid" te Arnhem.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. M.E. Bosman, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank geen onderzoek heeft verricht naar de mogelijkheid dat de veroordeelde in Duitsland na de tenuitvoerlegging van de helft van de hem door de Duitse rechter opgelegde vrijheidsstraf van vijf jaar en zes maanden vervroegd in vrijheid zou worden gesteld.
2.2. De Rechtbank heeft de veroordeelde ter zake van de door de Duitse rechter bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf van 1471 dagen opgelegd, waarvan 365 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een bijzondere voorwaarde als in de uitspraak omschreven. De Rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:
"De rechtbank dient op grond van artikel 31 van Pro de WOTS de straf op te leggen, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld.
Naar het oordeel van de rechtbank dient het ten laste van veroordeelde bij uitspraak van het Landgericht Kleve d.d. 29 juni 2009 met kenmerk 110 KLs-101 Js 165/06-20/09 naar Duits recht bewezen verklaarde naar Nederlands recht te worden gekwalificeerd als:
- diefstal door middel van braak/verbreking en/of met valse sleutel, door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
- diefstal, meermalen gepleegd.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verlof tot tenuitvoerlegging van de straf van veroordeelde in Nederland zal worden verleend, met oplegging van 5 jaren en 6 maanden gevangenisstraf met aftrek van de tijd die door veroordeelde in Duitsland en Nederland in detentie is doorgebracht.
De raadsman van veroordeelde heeft bepleit dat cliënt ruim twintig maanden gedetineerd heeft gezeten in Duitsland, hetgeen hem naar de aldaar aanwezige omstandigheden zwaar is gevallen. De detentie in Duitsland heeft er eveneens aan bijgedragen dat zijn relatie inmiddels is beëindigd en zijn kinderen uit huis dreigen te worden geplaatst en onder toezicht zullen worden gesteld. Tevens is veroordeelde door de detentie in Duitsland zijn baan verloren.
Gezien het bovengenoemde zijn er goede redenen om de Duitse straf om te zetten in een lagere Nederlandse straf met een mogelijkheid de resterende straf in een open dan wel half open inrichting in de omgeving van Arnhem uit te zitten.
De rechtbank is van oordeel dat bij de straftoemeting met zowel de nationale verworvenheden als met de internationale gevoeligheden rekening gehouden moet worden.
De rechtbank heeft daarom gelet op de Nederlandse maatstaven en opvattingen die geacht worden te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoon van veroordeelde alsmede met de Duitse opvattingen hieromtrent.
De rechtbank heeft hierbij enerzijds in aanmerking genomen dat veroordeelde is veroordeeld wegens een zevental diefstallen door middel van braak/verbreking en/of met valse sleutel, door twee of meer verenigde personen gepleegd en een tweetal diefstallen. De rechtbank overweegt dat deze feiten - zowel in Duitsland alsook in Nederland - als ernstige inbreuken op de rechtsorde worden gezien.
Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, zoals deze ter zitting naar voren zijn gebracht, onder meer inhoudende dat de veroordeelde 553 dagen detentie heeft ondergaan in een Duitse gevangenis, onder voor hem meer belastende omstandigheden dan hij zou hebben ondervonden in een Nederlandse gevangenis.
Voorts heeft de rechtbank gelet op het uittreksel justitiële documentatie d.d. 16 april 2010 betreffende veroordeelde, waaruit blijkt dat hij zowel in Duitsland als in Nederland eerder terzake van vermogensdelicten, waaronder (gekwalificeerde) diefstallen, met politie en justitie in aanraking is geweest."
2.3. Bij de stukken van het geding bevindt zich een schrijven van het Ministerie van Justitie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen van 9 april 2010, inhoudende onder meer:
"Het einde van de straf is bepaald op 10-05-2014; op 10-07-2012 zal tweederde van de gevangenisstraf zijn uitgezeten. Er bestaan vanuit het oogpunt van de Duitse autoriteiten geen bedenkingen tegen een omzetting van de straf in een voorwaardelijke gevangenisstraf met ingang van laatstgenoemde datum."
2.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank houdt niet in dat aldaar door of namens de veroordeelde een beroep is gedaan op de mogelijkheid dat hij - anders dan uit voormelde brief kan worden afgeleid - in Duitsland na ommekomst van de helft van de hem opgelegde straf in vrijheid zou worden gesteld. Gelet hierop, was de Rechtbank niet gehouden onderzoek te doen naar deze eerst in cassatie geopperde mogelijkheid.
2.5. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 9 november 2010.