ECLI:NL:HR:2010:BN4162
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert bedrag ontneming wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. Het Gerechtshof Leeuwarden had vastgesteld dat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim drie maanden was overschreden, waarmee artikel 6, eerste lid, EVRM was geschonden. Desondanks zag het hof af van matiging van het te ontnemen bedrag vanwege de beperkte duur van de overschrijding.
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag, en adviseerde vermindering van het te betalen bedrag. De Hoge Raad toetste het oordeel van het hof over de redelijke termijn en het rechtsgevolg daarvan.
De Hoge Raad bevestigde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was, maar stelde vast dat de overschrijding van de redelijke termijn toch aanleiding gaf tot een vermindering van het bedrag van de ontneming. De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de hoogte van het bedrag en stelde het te betalen bedrag vast op €73.954,-. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het te betalen bedrag van ontneming wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep tot €73.954,-.