ECLI:NL:HR:2010:BN1379
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- W.D.H. Asser
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verwerping beroep tegen vervroegde onteigening en eigendomsoverdracht
In deze zaak stond de vraag centraal of de vervroegde onteigening en de daaropvolgende teruglevering van niet-benodigde gedeelten van percelen, na goedkeuring door Koninklijk Besluit maar vóór de dagvaarding, in strijd was met de bepalingen van de Onteigeningswet. Eiseressen betoogden dat sprake was van schending van de artikelen 17, 18, 22 en 111 lid 2 van de Onteigeningswet.
De zaak werd behandeld door de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof, waarna cassatie werd ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad verwees naar eerdere uitspraken en tussenvonnissen en concludeerde dat de klachten van eiseressen niet tot cassatie konden leiden. De Hoge Raad overwoog dat een volledige toetsing van besluiten in de administratieve onteigeningsfase niet vereist is en dat de redelijkheidstoets volstaat.
De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde eiseressen in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee werd bevestigd dat de genomen besluiten in overeenstemming waren met de Onteigeningswet en dat de procedure correct was gevolgd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vervroegde onteigening en teruglevering van percelen worden als rechtmatig bevestigd.