ECLI:NL:HR:2010:BN1023
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens niet-toepasselijkheid minder zware strafbepaling
De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij de aanvrager was ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en ter beschikking was gesteld met dwangverpleging.
De aanvrager voerde nieuwe deskundigenoordelen aan die stelden dat hij niet leed aan een waanstoornis of andere realiteitsvervormende stoornis, en betoogde dat dit tot een minder zware straf had moeten leiden.
De Hoge Raad oordeelde dat onder een minder zware strafbepaling in de zin van art. 457 lid 1 sub Pro 2 Sv uitsluitend een strafbepaling wordt verstaan die een minder zware straf bedreigt, en niet een andere sanctie zoals terbeschikkingstelling met dwangverpleging.
Daarom kon het verzoek niet leiden tot een andere beslissing dan het ontslag van rechtsvervolging met tbs, en werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken op 13 juli 2010.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de nieuwe feiten niet tot een minder zware strafbepaling hadden geleid.