ECLI:NL:HR:2010:BM6076

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01930
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A. Hammerstein
  • O. de Savornin Lohman
  • W.D.H. Asser
  • E.J. Numann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 OwArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Begrip onteigende partij bij gemeenschappelijke eigendom onroerende zaak in onteigeningsrecht

In deze zaak stond centraal de uitleg van het begrip 'onteigende partij' in artikel 61 van Pro de Onteigeningswet (Ow) bij onteigening van een onroerende zaak die in twee niet verdeelde gemeenschappen viel. De eiser had verzocht om terugvordering van de onteigende onroerende zaak die ten behoeve van de Staat was onteigend.

De rechtbank 's-Hertogenbosch en het gerechtshof te 's-Hertogenbosch hadden het verzoek van eiser afgewezen. De Hoge Raad bevestigde deze uitspraken en stelde dat een zelfstandig recht op teruglevering van de onteigende zaak niet aan één deelgenoot toekomt, maar aan de deelgenoten gezamenlijk. Dit volgt uit de gemeenschappelijke eigendom van de onroerende zaak ten tijde van de onteigening.

De Hoge Raad verwierp het beroep van eiser en veroordeelde hem in de kosten van het geding in cassatie. De uitspraak draagt bij aan de rechtsontwikkeling omtrent onteigeningsrecht en de positie van mede-eigenaren bij gemeenschappelijke eigendom van onroerende zaken.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt verworpen; het recht op teruglevering komt toe aan alle deelgenoten gezamenlijk.

Uitspraak

9 juli 2010
Eerste Kamer
09/01930
DV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN,(Ministerie van Verkeer en Waterstaat),
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 147553/HA ZA 06-1831 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 26 september 2007;
b. het arrest in de zaak HD 103.006.115/01 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 december 2008.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. R.T. Wiegerink, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.E. van Hilten strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 731,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 9 juli 2010.