ECLI:NL:HR:2010:BM5707

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04257
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:105 BWArt. 3:306 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over verkrijging eigendom en erfdienstbaarheid door extinctieve verjaring

In deze zaak stond centraal de vraag of een strook grond was verkregen uit kracht van een geldige titel dan wel door extinctieve verjaring, en of de twintigjarige termijn van artikel 3:306 BW Pro van toepassing was op de verkrijging van erfdienstbaarheid.

De feiten betreffen een geschil tussen partijen over eigendom en erfdienstbaarheid van een strook grond. De zaak heeft meerdere instanties doorlopen, waaronder de rechtbank 's-Hertogenbosch en het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarvan het arrest aan het Hoge Raad-arrest is gehecht.

Het cassatieberoep van eiser c.s. tegen het arrest van het hof is door de Hoge Raad verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en dat geen nadere motivering nodig is, mede gelet op artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering.

De Hoge Raad bevestigt daarmee de eerdere rechtspraak en veroordeelt eiser c.s. in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof bekrachtigd.

Uitspraak

9 juli 2010
Eerste Kamer
08/04257
DV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het tussenvonnis in de zaak 109755/HA ZA 04-951 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 augustus 2004;
b. het tussenvonnis in die zaak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 augustus 2005;
c. het eindvonnis in die zaak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 juli 2006;
d. het arrest in de zaak HD 103.003.840 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 juni 2008.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 374,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 9 juli 2010.