ECLI:NL:HR:2010:BM5276
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vermindering geldboetes wegens overschrijding redelijke termijn in rust- en rijtijdenwetzaak
In deze cassatieprocedure heeft de verdachte beroep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem inzake overtreding van de Rust- en rijtijdenwet en de daarbij opgelegde geldboetes. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de hoogte van de geldboetes en vermindering daarvan, terwijl het beroep voor het overige verworpen moest worden.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging kunnen leiden, mede gelet op eerdere jurisprudentie (HR NJ 1998, 408 en HR NJ 1999, 804). Wel is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg hiervan vermindert de Hoge Raad ambtshalve de twee opgelegde geldboetes van elk € 1.320,- naar € 1.188,-. Het beroep wordt voor het overige verworpen en het arrest van het hof blijft in stand, behoudens de aangepaste hoogte van de boetes.
De uitspraak bevestigt het belang van de redelijke termijn in strafprocedures en illustreert de toepassing van artikel 81 RO Pro in cassatiezaken zonder dat nadere motivering van de middelen noodzakelijk is.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de opgelegde geldboetes van € 1.320,- naar € 1.188,- wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.