ECLI:NL:HR:2010:BM4106
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Uitleg begrip overbrenging van afvalstoffen in art. 26.1 EVOA en strafvermindering wegens termijnoverschrijding
In deze strafzaak stond de uitleg van het begrip 'overbrenging van afvalstoffen' in artikel 26, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 259/93 (EVOA) centraal. De verdachte werd ervan verdacht afvalstoffen zonder de vereiste kennisgeving en toestemming van bevoegde autoriteiten van België naar Maleisië te hebben overgebracht via Nederland. Het hof had geoordeeld dat de overbrenging reeds op 5 april 2004 had plaatsgevonden, terwijl de verzending feitelijk op 25 mei 2004 plaatsvond.
De Hoge Raad oordeelde dat het begrip 'overbrenging van afvalstoffen' ook gepland vervoer omvat en dat de uitleg van het hof te beperkt was. Het middel van de verdediging dat gepland vervoer niet onder het begrip valt, faalde daarom. Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis.
De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de hoogte van de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis, waarbij de boete werd verminderd tot € 29.250 en de hechtenis tot 176 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd de straf passend aangepast zonder inhoudelijke wijziging van de bewezenverklaring.
Uitkomst: De geldboete is verminderd tot € 29.250 en de vervangende hechtenis tot 176 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn.