ECLI:NL:HR:2010:BM3891

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04837
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:203 lid 3 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid bestuurder voor onrechtmatige bekrachtiging van rechtshandeling vóór oprichting vennootschap

In deze zaak staat de aansprakelijkheid van een bestuurder centraal die een rechtshandeling heeft bekrachtigd die vóór de oprichting van de vennootschap is verricht. De vraag is of de bestuurder aansprakelijk is op grond van onrechtmatige bekrachtiging, nu hij ten tijde van de bekrachtiging wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de vennootschap haar verplichtingen uit die rechtshandeling niet zou kunnen nakomen.

De zaak kwam na eerdere procedures bij de rechtbank Groningen en het gerechtshof Leeuwarden, waarvan de uitspraken aan het arrest zijn gehecht. Eiser stelde zich in cassatie op het standpunt dat de aansprakelijkheid niet toekomt, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering nodig is omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de aansprakelijkheid van de bestuurder en veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak werd gedaan door raadsheren van de Hoge Raad op 9 juli 2010.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de aansprakelijkheid van de bestuurder wordt bevestigd.

Uitspraak

9 juli 2010
Eerste Kamer
08/04837
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt, die zich tijdens de procedure heeft onttrokken als advocaat van eiser,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerster 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. S.M. Kingma.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 88354/HA ZA 06-637 van de rechtbank Groningen van 3 januari 2007,
b. het arrest in de zaak 107.001.775/01 (rolnummer 0700294) van het gerechtshof te Leeuwarden van 6 augustus 2008.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor [verweerder] c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 2.771,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 9 juli 2010.