ECLI:NL:HR:2010:BM3636

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/00041
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep verworpen ondanks overschrijding redelijke termijn in strafzaak

In deze strafzaak stelde de verdachte cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest alleen voor zover het de straf betrof, met vermindering van de straf, maar verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad beoordeelde twee middelen. Het eerste middel werd niet verder gemotiveerd omdat het niet tot cassatie kon leiden. Het tweede middel betrof de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden in de cassatiefase doordat stukken te laat waren ingezonden.

De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de relatief korte opgelegde gevangenisstraf van vijftien weken, waarvan negen weken voorwaardelijk, achtte de Hoge Raad het niet noodzakelijk om rechtsgevolgen aan de termijnoverschrijding te verbinden.

Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen. De uitspraak werd gedaan door raadsheren Balkema, de Hullu en Sterk op 8 juni 2010.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen ondanks overschrijding van de redelijke termijn, zonder gevolgen voor de opgelegde straf.

Uitspraak

8 juni 2010
Strafkamer
Nr. 08/00041
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 december 2007, nummer 22/000049-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936, wonende op [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen ten aanzien van de opgelegde straf, tot vermindering van die straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vijftien weken, waarvan negen weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.P. Balkema als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken op 8 juni 2010.