ECLI:NL:HR:2010:BM3283
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- P.M.F. van Loon
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak over aftrek lijfrentepremies bij overdracht onderneming
Belanghebbenden hebben in 2004 een onderneming gedreven in de vorm van een maatschap. Op 25 februari 2005 hebben zij hun aandelen met terugwerkende kracht ingebracht in een houdstermaatschappij, die de onderneming vervolgens onmiddellijk overdroeg aan werkmaatschappijen.
De Rechtbank Breda oordeelde dat door de onmiddellijke dooroverdracht aan derden geen sprake was van een overdracht in de zin van artikel 3.126, lid 1, letter a, onder 2°, Wet IB 2001, waardoor aftrek van lijfrentepremies werd geweigerd.
De Hoge Raad overwoog dat wanneer de dooroverdracht plaatsvindt aan een dochtervennootschap waarin het lichaam dat de onderneming overneemt alle aandelen houdt, er geen reden is om de aftrek van lijfrentepremies te weigeren. De omstandigheid dat de overdracht deels tegen creditering plaatsvond doet hieraan niet af.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie gegrond, vernietigde de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur, en verminderde de aanslagen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 133.700 en € 120.346. Tevens werden de proceskosten aan de zijde van belanghebbenden toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de eerdere uitspraken en vermindert de aanslagen, waarbij aftrek van lijfrentepremies wordt toegestaan.