ECLI:NL:HR:2010:BM1667

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04241
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 RvArt. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling grievenstelsel en appelrechterlijke bevoegdheid in hoger beroep

In deze zaak stond centraal de vraag hoe het grievenstelsel in hoger beroep dient te worden toegepast en in hoeverre de appelrechter gebonden is aan de door de rechtbank gegeven concretisering van een vordering die niet door de grieven wordt bestreden.

De rechtbank had een vordering geconcretiseerd in strijd met artikel 23 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De appelrechter was vervolgens aan deze concretisering gebonden, hetgeen onderwerp van discussie was. Daarnaast werd de discretionaire bevoegdheid van de rechter om een inlichtingencomparitie te gelasten besproken.

De Hoge Raad oordeelde dat artikel 23 Rv Pro niet van openbare orde is en dat de klachten van eiser niet tot cassatie konden leiden. De conclusie van de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep werd gevolgd. De Hoge Raad compenseerde de kosten van het geding in cassatie zodanig dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Het arrest bevestigt de grenzen van het grievenstelsel en de appelrechterlijke bevoegdheid, en benadrukt de discretionaire ruimte van de rechter bij het gelasten van inlichtingencomparities.

Deze uitspraak draagt bij aan de rechtseenheid omtrent de toepassing van artikel 23 Rv Pro in hoger beroep en de rol van de appelrechter.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en partijen dragen ieder hun eigen kosten.

Uitspraak

25 juni 2010
Eerste Kamer
08/04241
EE/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. N.T. Dempsey.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 105581/HA ZA 04-1306 van de rechtbank Haarlem van 6 oktober 2004, 18 mei 2005 en 19 oktober 2005,
b. de arresten in de zaak 106.004.383/01 (rolnummer 281/06) van het gerechtshof te Amsterdam van 25 oktober 2007 en 3 juli 2008.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 25 juni 2010.