ECLI:NL:HR:2010:BM1257
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- J.W.M. Tijnagel
- M.W.C. Feteris
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing reisaftrek zonder plaatsbewijzen in inkomstenbelasting 2004
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, waarbij hij een reisaftrek van €987 had opgevoerd. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de aanslag verminderd, maar het hof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende recht had op reisaftrek zonder de vereiste plaatsbewijzen, hoewel hij wel een reisverklaring overlegd had. Het hof oordeelde dat zonder plaatsbewijzen geen recht op reisaftrek bestaat, gelet op artikel 3.87 Wet IB 2001 en artikel 16 lid 3 Uitvoeringsregeling Pro inkomstenbelasting 2001.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Er waren geen gronden om het hof te vernietigen. Ook werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee is het standpunt bevestigd dat de belastingplichtige het bewijs van openbaar vervoer met plaatsbewijzen moet leveren om reisaftrek te verkrijgen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat zonder plaatsbewijzen geen recht op reisaftrek bestaat.