Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2010:BL7968

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00332
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet IB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ondernemingsvermogen woon-/winkelpand bij niet gesplitst appartementsrecht

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar door de Inspecteur werd verminderd. De Rechtbank Breda verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de Inspecteursuitspraak en verminderde de aanslag verder. De Inspecteur ging in hoger beroep bij het Hof, dat de uitspraak van de Rechtbank grotendeels bevestigde. De Staatssecretaris van Financiën stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De kern van het geschil betrof de vraag of het deel van een splitsbaar, maar juridisch niet in appartementsrechten gesplitst woon-/winkelpand dat door belanghebbende werd bewoond en niet voor de onderneming werd gebruikt, tot het ondernemingsvermogen behoort. De Hoge Raad bevestigde de jurisprudentie dat beslissend is de wil van de belastingplichtige zoals uit de boekhouding of anderszins blijkt, tenzij dit de grenzen van redelijkheid overschrijdt.

De Hoge Raad oordeelde dat het toerekenen van een zelfstandig rendabel deel van een pand dat uitsluitend voor woonbehoefte wordt gebruikt en niet dienstbaar is aan de onderneming, aan het ondernemingsvermogen de grenzen van redelijkheid overschrijdt. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en de Minister van Financiën werd veroordeeld in de helft van de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de Minister wordt veroordeeld in de helft van de proceskosten.

Uitspraak

Nr. 09/00332
17 september 2010
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 december 2008, nr. 06/00218, betreffende een aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd.
De Rechtbank te Breda (nr. AWB 05/2595) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van proceskosten, bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 16 februari 2010 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel stelt de vraag aan de orde of het deel van een splitsbaar, maar juridisch niet in appartementsrechten gesplitst woon-/winkelpand dat bewoond wordt door de belastingplichtige en waarvan vast staat dat het niet in de onderneming wordt gebruikt en daaraan ook niet dienstbaar is, tot het keuzevermogen van de belastingplichtige behoort.
3.2. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een pand deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen van een belastingplichtige, is in het algemeen beslissend de wil van die belastingplichtige zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uiting is gekomen, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid zouden zijn te buiten gegaan (vgl. HR 20 juni 1962, nr. 14819, BNB 1962/272). Een belastingplichtige overschrijdt de grenzen der redelijkheid door een gedeelte van een juridisch niet in appartementsrechten gesplitst pand tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, indien dat gedeelte zelfstandig rendabel is te maken en vast staat dat het door de belastingplichtige uitsluitend ter voorziening in zijn woonbehoefte zal worden gebruikt en dat het niet op enigerlei wijze dienstbaar zal zijn aan de onderneming. Het middel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 09/00333 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1207,50, derhalve € 603,75, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, E.N. Punt, J.A.C.A. Overgaauw en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2010.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 448.