ECLI:NL:HR:2010:BL6287
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Executie Nederlandse gevangenisstraf voormalig RAF-lid en verjaring
De zaak betreft de executie van een in Nederland opgelegde gevangenisstraf aan een voormalig lid van de Rote Armee Fraktion (RAF), die in Nederland veroordeeld werd voor moord en poging tot moord. Na zijn veroordeling werd hij tijdelijk uitgeleverd aan Duitsland voor vervolging van andere misdrijven, waarna hij definitief in Duitsland gevangen werd gehouden en uiteindelijk voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld.
De centrale vraag was of de Nederlandse gevangenisstraf was verjaard, nu de veroordeelde jarenlang in Duitsland gevangen zat en pas later in Nederland kon worden opgesloten. De Hoge Raad bevestigde dat de verjaringstermijn van 24 jaar niet liep zolang de veroordeelde vrijheidsberovend werd vastgehouden in het buitenland ter uitvoering van een andere straf, conform art. 76a lid 3 Sr. Deze bepaling maakt geen onderscheid tussen vrijheidsbeneming door Nederlandse of buitenlandse rechterlijke beslissingen.
De Hoge Raad verwierp het beroep van de veroordeelde dat hij mocht vertrouwen op het niet meer hoeven uitzitten van zijn Nederlandse straf en oordeelde dat de Nederlandse Staat bevoegd blijft tot executie van het vonnis. Ook werd geoordeeld dat de latere executie niet in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het beroep werd verworpen en de veroordeelde werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de executieverjaring niet loopt zolang de veroordeelde in het buitenland vrijheidsberovend wordt vastgehouden en verwerpt het cassatieberoep.