ECLI:NL:HR:2010:BL4086
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over dringende reden ontslag op staande voet wegens schending controlevoorschriften arbeidsongeschiktheid
In deze zaak stond centraal of het niet naleven door de werknemer van de controlevoorschriften omtrent arbeidsongeschiktheid een dringende reden vormt voor ontslag op staande voet. De zaak betrof een arbeidsrechtelijk geschil tussen ABN AMRO Bank N.V. en een werknemer die op staande voet was ontslagen.
De feiten en het geding in de lagere instanties zijn vastgelegd in het vonnis van de voorzieningenrechter te Amsterdam en het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarop de Hoge Raad zich baseerde. De werknemer had de voorschriften voor controle van arbeidsongeschiktheid geschonden, maar de vraag was of dit voldoende was voor een dringende reden in de zin van artikel 7:677 BW Pro.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de bank en bevestigde daarmee het oordeel van het hof. De klachten van de bank waren onvoldoende om tot cassatie te leiden en er was geen aanleiding tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad veroordeelde de bank tevens in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat schending van controlevoorschriften geen dringende reden voor ontslag op staande voet is.