ECLI:NL:HR:2010:BL4015

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04630 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van aanvraag tot herziening wegens ontbreken nieuwe feiten

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Arnhem uit 2005, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor bedreiging met zware mishandeling en poging tot zware mishandeling. De Hoge Raad beoordeelde of de aanvraag voldeed aan de wettelijke vereisten voor herziening, namelijk dat er nieuwe feiten of omstandigheden moesten zijn die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het ernstig vermoeden wekten dat het onderzoek tot een andere uitkomst had geleid.

De aanvrager stelde geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren die aan deze criteria voldeden. De Hoge Raad wees erop dat de aanvraag volgens artikel 459 Sv Pro een opgave van bewijsmiddelen moet bevatten waaruit de nieuwe omstandigheden blijken, wat in deze zaak ontbrak. Hierdoor kon de aanvraag niet worden ontvangen.

De Hoge Raad verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee de eerdere veroordeling. Dit arrest benadrukt de strikte voorwaarden voor het indienen van een herzieningsverzoek in strafzaken.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe feiten die tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zouden leiden.

Uitspraak

16 februari 2010
Strafkamer
Nr. 09/04630 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 27 juli 2005, nummer 21/004688-04, ingediend door mr. G. Ocak, advocaat te Utrecht, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle van 2 augustus 2004 - de aanvrager ter zake van 1. "bedreiging met zware mishandeling" en 2. "poging tot zware mishandeling" veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 16 februari 2010.