Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2010:BL3228

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02883 J
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overschrijding redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkverklaring OM in jeugdstrafzaak

In deze jeugdstrafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden. De kern van het geschil betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, waarbij de stukken te laat door het Hof werden ingezonden.

De Hoge Raad constateerde terecht dat de redelijke termijn was overschreden, mede doordat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat deze overschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

De opgelegde straf aan de verdachte bestond uit een taakstraf van twaalf uren werkstraf, subsidiair zes dagen jeugddetentie. Gezien de aard van de straf en de mate van termijnoverschrijding vond de Hoge Raad geen aanleiding om rechtsgevolgen aan de overschrijding te verbinden.

Het beroep werd derhalve verworpen. Hiermee bevestigde de Hoge Raad dat termijnoverschrijding in jeugdstraffen niet automatisch leidt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het OM, wat een belangrijke nuance is in het strafprocesrecht voor jeugdigen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep ondanks overschrijding van de redelijke termijn, zonder niet-ontvankelijkverklaring van het OM.

Uitspraak

30 maart 2010
Strafkamer
nr. 09/02883 J
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 14 oktober 2008, nummer 24/000563-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad kan volstaan met de vaststelling dat zich een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden en dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
2.2. Het middel klaagt terecht dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Overschrijding van die termijn kan niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf bestaande uit een werkstraf van twaalf uren, subsidiair zes dagen jeugddetentie en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
3. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 30 maart 2010.