ECLI:NL:HR:2010:BL2828
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid machtiging tappen telefoon bij opzetheling van gestolen goederen
In deze strafzaak stond het beroep van verdachte centraal tegen het oordeel van het hof dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn besluit tot machtiging van het tappen van zijn telefoon kon komen. Verdachte werd verdacht van opzetheling van een uitzonderlijk grote hoeveelheid gestolen inktcartridges, met een waarde van circa € 200.000.
De verdediging voerde aan dat het gebruik van de bevoegdheid tot het opnemen van telecommunicatie onrechtmatig was, omdat het misdrijf niet ernstig genoeg zou zijn om aan de wettelijke voorwaarden van artikel 126m Wetboek van Strafvordering te voldoen. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat de omvang en aard van het misdrijf wel degelijk een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormden.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en herhaalde de relevante jurisprudentie omtrent de toetsing van de rechtmatigheid van de machtiging. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was, mede gezien de omvang van de opzetheling.
Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het oordeel van het hof bleef staan dat de machtiging tot het tappen rechtmatig was en dat het verweer tot strafvermindering op grond van onrechtmatig bewijs niet slaagde.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van de machtiging tot het tappen van de telefoon van verdachte.