ECLI:NL:HR:2010:BL1950
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat BPM geen heffing van gelijke werking is volgens artikel 25 EG
Belanghebbende heeft BPM betaald en bezwaar gemaakt tegen het bedrag, dat door de Inspecteur werd afgewezen. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde een terug te geven bedrag. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad beoordeelde of de BPM een heffing van gelijke werking als een douanerecht is in de zin van artikel 25 EG Pro. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie is een last geen heffing van gelijke werking indien deze deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen dat objectieve criteria hanteert, onafhankelijk van oorsprong of bestemming van het goed.
De BPM wordt geheven ongeacht de plaats van fabricage van het voertuig en is niet gekoppeld aan grensoverschrijding. Daarom kwalificeert de BPM niet als een heffing van gelijke werking, maar als een binnenlandse belasting volgens artikel 90 EG Pro. Het middel van belanghebbende faalt en het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
De Hoge Raad acht geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het arrest bevestigt de rechtmatigheid van de BPM-heffing en sluit een kwalificatie als invoerrecht uit.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de BPM is geen heffing van gelijke werking als bedoeld in artikel 25 EG.