ECLI:NL:HR:2010:BK9257
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in cassatieberoep wegens ontbreken middelen van cassatie
Op 9 maart 2010 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 december 2008. Verdachte had beroep in cassatie ingesteld en werd daarin vertegenwoordigd door mr. B.M. Beg. De Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van verdachte in het cassatieberoep.
De Hoge Raad beoordeelde de schriftuur die door de raadsman was ingediend en stelde vast dat deze niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor middelen van cassatie. Er ontbrak een stellige en duidelijke klacht over de schending van een rechtsregel of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de lagere rechter. Hierdoor kon de schriftuur niet worden onderzocht.
Als gevolg hiervan verklaarde de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. De uitspraak werd gedaan door de vice-president F.H. Koster als voorzitter en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, en uitgesproken op 9 maart 2010.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens ontbreken van geldige middelen van cassatie.