ECLI:NL:HR:2010:BK9139
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke behandeling van terugbetaalde schadevergoeding en onderhoudskosten
Belanghebbende was eigenaar van een watermolen die schade opliep door werkzaamheden van het Waterschap Zuiveringsschap Limburg. Na een civiele procedure ontving hij in 1993 een schadevergoeding, die in 1998 door het hof werd vernietigd, waarna belanghebbende de vergoeding terugbetaalde. In 2000 ontving hij de schadevergoeding opnieuw.
Belanghebbende bracht de schadevergoeding in 1993 niet als inkomen op, en de herstelkosten die de huurder voorschoot werden niet afgetrokken. De terugbetaling in 1998 werd in dat jaar in aftrek gebracht, en de opnieuw ontvangen vergoeding in 2000 werd niet als inkomen opgegeven. Het hof oordeelde dat de vergoeding in 1993 en 2000 onbelast was en dat de aftrek in 1998 ten onrechte was verleend.
De Hoge Raad stelt dat de vergoeding in 2000 slechts als negatieve kosten mag worden gerekend voor zover deze staat tegenover eerder gemaakte aftrekbare kosten. De door belanghebbende in 1995 betaalde herstelkosten drukken in 1998, en de vergoeding in 2000 moet als negatieve kostenpost worden belast. Het hof heeft dit onjuist beoordeeld. De zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar het vertrouwensbeginsel, waar het hof niet aan toegekomen is.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.