ECLI:NL:HR:2010:BJ8669
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.F. Groos
- Rechtspraak.nl
Vonnis Hoge Raad over kwalificatie en nietigheid bij foltering op Curaçao
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van foltering op het eiland Curaçao. De mishandelingen vonden plaats op 5 november 2006, waarbij het slachtoffer, geboeid en onder politiebegeleiding, op verschillende locaties werd geslagen met wapenstokken, hetgeen pijn en letsel veroorzaakte.
De Hoge Raad stelt vast dat de kwalificatie van de mishandelingen als foltering, zoals omschreven in art. 2 lid 1 van Pro de Uitvoeringslandsverordening folteringsverdrag, juist is. Hierbij is van belang dat de ernst van de mishandeling niet alleen wordt bepaald door het fysieke of psychische letsel, maar ook door de omstandigheden en het oogmerk van de gedragingen. De uitleg van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over 'torture' leidt niet tot een ander oordeel.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het Hof in strijd met art. 402.1 SvNA heeft verzuimd de inhoud van de bewijsmiddelen in het vonnis op te nemen, wat volgens art. 402.7 SvNA leidt tot nietigheid van het vonnis. Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden vonnis voor zover het de foltering betreft en verwijst de zaak terug naar het Gemeenschappelijk Hof voor hernieuwde berechting en afdoening.
Het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie wordt verworpen omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevat. De Hoge Raad sluit af met de bevestiging van de juiste juridische kwalificatie en de procedurele nietigheid wegens het ontbreken van bewijsmiddelen in het vonnis.
Uitkomst: Het vonnis wordt vernietigd wegens niet-naleving van art. 402.1 SvNA en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.