ECLI:NL:HR:2009:BK3573

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00558
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 390 RvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herroeping echtscheidingsbeschikking wegens onvoldoende bewijs van bedrog

De vrouw heeft bij de rechtbank Rotterdam verzocht om herroeping van de echtscheidingsbeschikking van 7 februari 2005, op grond van bedrog door de man. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de vrouw hoger beroep instelde bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. Het hof bekrachtigde de afwijzing van het verzoek. Vervolgens stelde de vrouw beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van de vrouw niet leiden tot cassatie, mede omdat er onvoldoende bewijs was voor het bedrog dat de herroeping zou rechtvaardigen. De Hoge Raad vond geen aanleiding om de eerdere beslissingen te vernietigen en verwees naar artikel 81 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering.

De Hoge Raad heeft het beroep van de vrouw verworpen, waarmee de eerdere afwijzingen van het verzoek tot herroeping definitief zijn geworden.

Uitkomst: Het verzoek tot herroeping van de echtscheidingsbeschikking wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van bedrog.

Uitspraak

22 december 2009
Eerste Kamer
09/00558
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. A.A. Vermeij,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.A.M. Essed.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 25 november 2005 ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingediend verzoekschrift heeft de vrouw zich gewend tot die rechtbank en verzocht, kort gezegd, de beschikking van 7 februari 2005, waarbij echtscheiding tussen partijen werd uitgesproken, te herroepen en het geding te heropenen, zodat verder kan worden geprocedeerd.
De man heeft het verzoek bestreden.
Na een tussenbeschikking van 8 november 2006 heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 9 november 2007 het verzoek van de vrouw afgewezen.
Tegen de eindbeschikking van de rechtbank heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage.
Bij beschikking van 12 november 2008 heeft het hof die eindbeschikking bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.H. Koster op 22 december 2009.