ECLI:NL:HR:2009:BK3067

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/13622
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.39 Wet IB 2001Art. 10 Wet IB 1964Artikel 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep in cassatie tegen aanslag vennootschapsbelasting 2001

Belanghebbende, een vennootschap, kreeg voor het jaar 2001 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd die na bezwaar door de inspecteur werd gehandhaafd. Zowel de Rechtbank Arnhem als het Hof Arnhem verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

Het Hof had correct geoordeeld dat de winst van belanghebbende voor 2001 moest worden bepaald volgens de toen geldende wettelijke bepalingen, waaronder artikel 3.39 Wet IB 2001. Dit artikel regelt dat afschrijvingen op bedrijfsmiddelen worden toegerekend aan het tijdvak waarin de verplichtingen voor de verwerving zijn aangegaan. Belanghebbende klaagde dat het Hof dit niet juist had toegepast, en deze klacht werd door de Hoge Raad gegrond verklaard.

Echter, de Hoge Raad oordeelde dat deze gegrondverklaring niet tot cassatie kon leiden omdat de juiste toepassing van de wet niet zou leiden tot vermindering van de aanslag. De overige klachten van belanghebbende werden eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet tot rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling leidden.

De Hoge Raad besloot het beroep in cassatie ongegrond te verklaren en legde geen proceskostenveroordeling op. Hiermee bleef de aanslag vennootschapsbelasting 2001 ongewijzigd gehandhaafd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting 2001 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 07/13622
13 november 2009
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. (voorheen A Holding B.V.) te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 7 november 2007, nr. 06/00265, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 05/5125) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
Het Hof heeft met juistheid tot uitgangspunt genomen dat de winst van belanghebbende van het onderhavige jaar - 2001 - dient te worden bepaald met inachtneming van de wettelijke bepalingen zoals die in dat jaar golden. Tot deze wettelijke bepalingen behoort echter artikel 3.39 Wet IB 2001, ingevolge welk artikel bij die winstbepaling - voor zover hier van belang - de afschrijving op bedrijfsmiddelen plaatsvindt volgens de regels voor het tijdvak waarin voor de verwerving van het bedrijfsmiddel verplichtingen zijn aangegaan. De in cassatie aangevoerde klacht dat het Hof dit heeft miskend is mitsdien gegrond. Deze klacht kan echter niet tot cassatie leiden aangezien toepassing van de juiste wetsbepalingen niet leidt tot vermindering van de aanslag.
De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.R. Leemreis als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2009.